Het woord islamisering is inmiddels zo vaak gebruikt dat het bijna zijn betekenis heeft verloren. Voor de een betekent het simpelweg dat het aantal moslims groeit. Voor de ander betekent het dat Europese samenlevingen hun cultuur, normen en rechtsorde aan de islam zouden verliezen. Dat zijn twee totaal verschillende beweringen.
Wie beweert dat Europa wordt geïslamiseerd door ongebreidelde migratie, zal daarom eerst moeten aantonen wat er precies verandert, waardoor dat gebeurt en in welke richting Europa zich daadwerkelijk ontwikkelt.
Dat Europa veel migranten ontvangt, staat buiten kijf. In 2024 kwamen volgens Eurostat ongeveer 4,2 miljoen mensen vanuit landen buiten de Europese Unie naar de EU. Daarnaast verhuisden 1,5 miljoen mensen binnen de EU. De migratie is dus omvangrijk.
Jan van de Beek maakt in Migratiemagneet Nederland een harde economische analyse van migratie. Tegelijk zijn zijn berekeningen en vooral de vertaling daarvan naar beleid onderwerp van wetenschappelijke kritiek. De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) beschreef het boek in 2025 als waardevolle informatie vanuit een smal perspectief en wees erop dat de publicatie niet peer reviewed is.
Dat betekent dat we Van de Beek serieus nemen én zijn methode kritisch toetsen. Zijn centrale punt is relevant: je kunt migratie niet uitsluitend beoordelen aan de hand van bruto economische groei; de verdeling van kosten en baten over de overheid en de verzorgingsstaat doet ertoe.
Er is een merkwaardige tegenstelling in het Europese migratiedebat. Aan de ene kant wordt iedere waarschuwing voor de gevolgen van massale immigratie al snel afgedaan als xenofobie. Aan de andere kant wordt iedere migrant die uit een islamitisch land komt zonder verdere analyse onderdeel gemaakt van een vermeende islamitische invasie.
Beide reacties zijn intellectueel gemakzuchtig.
De werkelijkheid is ingewikkelder — en juist daardoor ernstiger.
Europa verandert demografisch. Migratie speelt daarin een belangrijke rol. Een aanzienlijk deel van de immigratie komt uit landen met een moslimmeerderheid. De Europese moslimbevolking groeit. Tegelijkertijd vergrijst Europa, neemt de natuurlijke bevolkingsgroei af en verdwijnt de christelijke meerderheid in steeds meer landen.
Dat betekent niet dat Europa wordt 'overgenomen' door de islam.
Maar het betekent evenmin dat er niets aan de hand is.
Wie die laatste conclusie wil begrijpen, doet er goed aan het boek Migratiemagneet Nederland van Jan van de Beek erbij te pakken. Het boek is geen wetenschappelijk eindstation en verdient kritiek. Maar het legt een ongemakkelijke vraag op tafel die veel te lang onvoldoende serieus is genomen: wat kost een migratiesysteem de samenleving wanneer je niet alleen naar productie en belastinginkomsten kijkt, maar naar de volledige levensloop van migranten en naar de kosten en baten voor de overheid?
Van de Beek probeert die vraag empirisch te beantwoorden. Zijn analyse bouwt voort op het eerdere onderzoek Grenzeloze verzorgingsstaat, waarin hij samen met Hans Roodenburg, Joop Hartog en Gerrit Kreffer gebruikmaakt van CBS-microdata om de fiscale kosten en baten van verschillende groepen immigranten te berekenen. Het gaat daarbij niet simpelweg om de kosten van een asielzoekerscentrum, maar om belastingen, premies, uitkeringen, toeslagen, zorg, onderwijs en andere collectieve voorzieningen over de levensloop.
Dat is een belangrijk onderscheid.
Een migrant die morgen een baan krijgt, belasting betaalt en nauwelijks gebruikmaakt van sociale voorzieningen heeft een andere economische betekenis dan iemand die jarenlang afhankelijk blijft van uitkeringen en toeslagen. Een hoogopgeleide arbeidsmigrant is economisch iets anders dan een laagopgeleide asielmigrant. Een vluchteling die hier op jonge leeftijd binnenkomt is iets anders dan iemand die op latere leeftijd arriveert.
Migratie is daarom geen economische categorie. En precies daar raakt het Nederlandse en Europese debat vaak ontspoord.
We praten over migratie alsof het één verschijnsel is. Dat is het niet.
Van de Beek laat juist zien dat migratiegroepen sterk verschillen in hun fiscale nettobijdrage. Zijn conclusie is dat met name laagopgeleide migratie een veel ongunstiger effect op de overheidsfinanciën heeft dan hoogopgeleide migratie. Dat is geen triviale observatie. Het is een directe uitdaging aan het idee dat iedere extra inwoner automatisch een economische aanwinst is.
Dat idee klopt eenvoudigweg niet.
Maar hier moet ook de kritiek beginnen.
De berekeningen van Van de Beek zijn geen natuurwetten. Ze zijn modeluitkomsten. Ze hangen af van keuzes over welke kosten en baten worden toegerekend, welke ontwikkelingen constant worden gehouden en hoe toekomstige levenslopen worden geschat. Het Centraal Planbureau (CPB) heeft de specifieke berekeningen niet gevalideerd en heeft expliciet aangegeven dat het daarom geen oordeel kon geven over de juistheid ervan.
Wie dus roept dat "elke asielmigrant €800.000 kost" alsof dat een rechtstreeks gemeten kassabon is, misbruikt de analyse. Maar wie daarom concludeert dat de analyse waardeloos is, maakt dezelfde fout aan de andere kant.
De juiste conclusie is dat Nederland behoefte heeft aan betere, onafhankelijke en reproduceerbare kosten-batenanalyses van verschillende migratiecategorieën.
Daarbij moeten we één cruciale fout vermijden: de economische analyse verwarren met een moreel oordeel over mensen.
Een mens is niet waardeloos omdat hij de schatkist geld kost. Anders zouden we kinderen, ouderen, zieken en mensen met een beperking eveneens langs een economische meetlat moeten leggen. Dat zou absurd zijn.
Maar een staat mag wél vragen welke migratie zij structureel kan dragen. Dat is geen immorele vraag. Het is een bestuurlijke vraag.
En vervolgens komt het culturele vraagstuk. Daar wordt het debat nog slordiger.
Wanneer iemand spreekt over "islamisering", wordt vaak gedaan alsof iedere moslim een aanhanger is van één coherent politiek programma. Dat is aantoonbaar onjuist. Moslims verschillen onderling enorm in religiositeit, politieke opvattingen, opleidingsniveau, maatschappelijke positie en houding tegenover de Europese samenleving.
Maar de tegenovergestelde bewering — dat religieuze en culturele verschillen helemaal geen betekenis hebben — is evenmin houdbaar.
Van de Beek besteedt juist aandacht aan wat hij culturele afstand noemt en probeert die te verbinden met integratie en economische prestaties. Zijn uitgangspunt is dat migranten niet alleen verschillen in opleiding en vaardigheden, maar ook in de culturele omgeving waaruit zij afkomstig zijn. In zijn eigen formulering is vooral de combinatie van opleidingsniveau en verdiencapaciteit relevant voor de houdbaarheid van de verzorgingsstaat.
Daar zit een serieus onderzoeksvraagstuk.
Want wat gebeurt er wanneer een samenleving grote groepen mensen opneemt die gemiddeld een grotere afstand hebben tot de taal, arbeidsmarkt, instituties en sociale normen van het ontvangende land?
Dat hoeft niet verkeerd af te lopen.
Maar het gebeurt ook niet vanzelf goed.
De Europese ervaring laat zien dat integratie aanzienlijke verschillen kent tussen herkomstgroepen en migratiemotieven. Arbeidsparticipatie, onderwijsresultaten, taalbeheersing en afhankelijkheid van sociale voorzieningen verschillen sterk. Wie die verschillen niet wil zien omdat ze politiek ongemakkelijk zijn, bedrijft geen wetenschap maar wensdenken.
Daarmee zijn we terug bij de islam.
De moslimbevolking van Europa groeide tussen 2010 en 2020 met ongeveer 16 procent tot circa 46 miljoen mensen, volgens Pew Research Center. Het aandeel moslims in de Europese bevolking kwam daarmee uit rond 6 procent. De groei werd voor een belangrijk deel door migratie veroorzaakt.
Dat is substantieel.
Maar 6 procent is geen islamitische meerderheid.
Daarom is "Europa wordt geïslamiseerd" als demografische beschrijving misleidend.
De werkelijke ontwikkeling is complexer. Europa wordt tegelijkertijd minder christelijk en minder religieus. Tussen 2010 en 2020 nam het aantal christenen in Europa volgens Pew met ongeveer 9 procent af, terwijl het aantal religieus ongebondenen met ongeveer 37 procent groeide.
Europa wordt dus niet simpelweg van christelijk naar islamitisch omgebouwd.
Europa wordt vooral seculierder.
En juist daarin zit een interessante paradox.
De islam is een van de weinige grote religieuze tradities die in Europa demografisch groeit, terwijl het christendom sterk afneemt. Daardoor kan de maatschappelijke zichtbaarheid van de islam veel sneller toenemen dan het percentage moslims doet vermoeden.
Dat kan zichtbaar worden in steden, scholen, wijken, politieke partijen, religieuze instellingen, eetgewoonten, kleding, sociale netwerken en publieke discussies over religieuze normen.
Daar hoeft niets mis mee te zijn. Het wordt wél problematisch wanneer religieuze normen botsen met de grondbeginselen van de rechtsstaat.
De vrijheid van godsdienst beschermt het recht om moslim te zijn. Zij beschermt nÃét het recht om anderen islamitische regels op te leggen.
Hetzelfde geldt voor iedere andere religie.
De Grondwet staat boven de Koran, de Bijbel en iedere andere religieuze bron. Het individu heeft het recht om te geloven, niet te geloven, van geloof te veranderen en religie te bekritiseren.
Daarover hoort geen compromis te bestaan.
De vraag die Europa zichzelf daarom zou moeten stellen is niet: "Hoeveel moslims kunnen we nog hebben?"
Dat is een verkeerde vraag.
De vraag is: "Hoeveel migratie kan een samenleving verwerken terwijl onderwijs, woningmarkt, arbeidsmarkt, verzorgingsstaat, sociale samenhang en rechtsstaat functioneren?"
Dat is een veel moeilijkere vraag.
En het antwoord kan per migrantencategorie verschillen.
Een hoogopgeleide arts uit India is iets anders dan een laagopgeleide migrant zonder perspectief op de arbeidsmarkt. Een Oekraïense vluchteling is iets anders dan een arbeidsmigrant. Een student is iets anders dan iemand die permanent afhankelijk wordt van sociale voorzieningen.
Wie alles onder de noemer migrant schuift, maakt beleid onmogelijk.
Maar er is nog een tweede misvatting die we moeten afwijzen.
Migratie is niet automatisch het gevolg van humanitaire nood.
Nederland en Europa zijn óók aantrekkelijk omdat zij relatief welvarend zijn, veiligheid bieden en beschikken over uitgebreide sociale voorzieningen. Precies dat mechanisme vormt een centraal onderwerp in Migratiemagneet Nederland. Van de Beek stelt dat de inrichting van de Nederlandse verzorgingsstaat onderdeel kan zijn van de aantrekkingskracht van Nederland als migratieland. De achterliggende gedachte is simpel: wanneer toegang tot voorzieningen en inkomenszekerheid aanzienlijk groter is dan in het land van herkomst, ontstaat een prikkel om juist naar Nederland te komen.
Dat is geen bewijs dat mensen voor de uitkering komen, maar het is evenmin rationeel om te doen alsof financiële prikkels geen rol spelen in migratiebeslissingen.
Mensen reageren op prikkels. Dat geldt voor Nederlanders en voor migranten.
Het beleid zou daar rekening mee moeten houden.
Daarmee wordt ook duidelijk waarom ongebreidelde migratie een slecht uitgangspunt is. Niet omdat iedere migrant een probleem vormt, maar omdat iedere staat grenzen nodig heeft aan wat zij kan opnemen.
Een samenleving heeft een fysieke capaciteit.
Er zijn maar zoveel woningen.
Er zijn maar zoveel plaatsen in scholen.
Er zijn maar zoveel leraren, huisartsen en zorgmedewerkers.
Er is maar zoveel ruimte.
En er is maar zoveel maatschappelijk vertrouwen.
Dat laatste wordt vaak vergeten.
Wanneer burgers het gevoel krijgen dat hun overheid geen controle meer heeft over wie binnenkomt, hoe lang procedures duren, wie mag blijven en welke normen gelden, ontstaat niet alleen onvrede over migratie. Er ontstaat wantrouwen tegenover de staat zelf.
Dat is democratisch gevaarlijker dan een discussie over het aantal moskeeën.
De oplossing is daarom niet een strijd tegen de islam.
De oplossing is een staat die haar grenzen beheerst, migratie selecteert waar dat kan, vluchtelingen beschermt waar dat moet, integratie afdwingt waar dat noodzakelijk is en de rechtsstaat zonder uitzonderingen handhaaft.
Dat betekent ook dat Europa veel harder moet durven vragen wat iemand kan bijdragen.
Niet omdat een mens eerst zijn economische waarde moet bewijzen om recht op bescherming te hebben.
Wel omdat immigratiebeleid iets anders is dan vluchtelingenbescherming.
Die twee zijn in het publieke debat steeds verder door elkaar gehaald.
Van de Beek heeft met Migratiemagneet Nederland een ongemakkelijke steen in de vijver gegooid. Zijn cijfers moeten worden gecontroleerd, zijn aannames moeten worden getest en zijn conclusies moeten worden vergeleken met andere wetenschappelijke analyses. De WRR constateerde niet voor niets dat de publicatie waardevolle informatie biedt, maar vanuit een smal perspectief.
Maar het zou intellectueel laf zijn om de vragen die hij opwerpt daarom maar te negeren.
Europa hoeft niet bang te zijn voor moslims. Europa moet wel oppassen voor een politiek systeem dat weigert consequenties te verbinden aan zijn eigen migratiebeleid.
De islamisering van Europa is geen voldongen feit. Tenminste vooralsnog niet.
Demografische verandering is dat wel.
Migratie is daarvan een belangrijke motor.
En als Europa niet bepaalt hoeveel, wie en onder welke voorwaarden mensen binnenkomen, bepaalt de migratiedynamiek uiteindelijk zelf een deel van de toekomstige samenleving.
Dat is geen complottheorie.
Dat is demografie.
De volwassen Europese discussie begint daarom niet met de vraag of je vóór of tegen migranten bent.
Zij begint met een veel ongemakkelijkere vraag: "Welke samenleving willen wij over dertig jaar — en welke migratie past daar daadwerkelijk bij?"
Wie die vraag niet wil stellen, heeft geen migratiebeleid.
Die heeft alleen een wens.