Een liberale democratie hoeft zich niet te verontschuldigen voor haar eigen waarden. Vrijheid van meningsuiting, gelijkheid van man en vrouw, de scheiding van kerk en staat en gelijke rechten voor homoseksuelen zijn geen vrijblijvende voorkeuren. Het zijn de pijlers waarop de westerse rechtsorde rust.

Juist daarom moet ook de islam onderwerp van een stevig maatschappelijk debat kunnen zijn. Niet omdat moslims minder rechten zouden hebben dan anderen, maar omdat geen enkele religie of ideologie boven kritiek staat. Alleen daar wringt de spreekwoordelijke schoen. De islam is intolerant naar alles wat niet conform de islamitische leer is. Lees de heilige Koran er maar op na.

Het debat wordt te vaak gesmoord door de reflex dat iedere kritiek op de islam automatisch islamofobie zou zijn. Dat is intellectuele luiheid, of gewoon lafheid en we weten allemaal door de praktijk waarom. De vraag is immers niet of moslims bestaan, maar welke opvattingen verenigbaar zijn met een vrije samenleving.

Binnen de islam bestaan opvattingen over homoseksualiteit, afvalligheid, de positie van vrouwen en de rol van religieuze wetgeving die moeilijk te rijmen zijn met de uitgangspunten van een seculiere rechtsstaat en universele mensenrechten. In veel landen met een moslimmeerderheid is de maatschappelijke acceptatie van homoseksualiteit bijzonder laag en worden homoseksuelen juridisch en sociaal vervolgd of zelfs vermoord. Dat is geen verzinsel, maar een terugkerende bevinding uit internationaal onderzoek.

Voor publieke functies hoort uiteindelijk één norm doorslaggevend te zijn: onvoorwaardelijke loyaliteit aan de Grondwet en de democratische rechtsorde. Dat geldt voor iedereen. Voor moslims, voor christenen, voor joden, voor marxisten, voor nationalisten of activisten. Wie namens de overheid optreedt — in gedrag en kleding — moet alle burgers gelijk behandelen, ongeacht geloof, seksuele gerichtheid, afkomst of politieke overtuiging. En daar gaat het mis bij veel moslims.

De rechtsstaat vraagt geen geloofstest, maar een loyaliteitstest aan haar eigen beginselen.

Vrijheid van godsdienst betekent niet dat iedere religieuze opvatting boven kritiek verheven is. Evenmin betekent vrijheid van meningsuiting dat iedere kritiek automatisch discriminerend is. Een volwassen democratie moet kunnen zeggen dat bepaalde religieuze leerstellingen botsen met de waarden van een vrije samenleving. Zonder angst. Zonder zelfcensuur. Alleen de praktijk is helaas anders.

Wie werkelijk vertrouwen heeft in de westerse beschaving, hoeft ideeën niet te verbieden. Het legt ze langs de meetlat van de rechtsstaat en handelt in woord en daad dienstovereenkomstig.

En die meetlat is eenvoudig: respecteert een overtuiging de vrijheid van anderen? Accepteert zij gelijke rechten? Erkent zij dat de wet boven religieuze voorschriften staat?

Wie die vragen bevestigend beantwoordt, kan volwaardig deelnemen aan het publieke leven, ongeacht zijn of haar religie. Wie dat niet doet, heeft een probleem met de democratische rechtsorde. Het is de hoogste tijd dat de politiek dat niet alleen in woord uit, maar ook in daad toont.