Wie de afgelopen jaren dacht dat de FIFA eindelijk de bladzijde van corruptie en vriendjespolitiek had omgeslagen, krijgt opnieuw huiswerk. Niet omdat er al bewezen is dat FIFA-voorzitter Gianni Infantino regels heeft overtreden, maar omdat de schijn van politieke beïnvloeding opnieuw als een donkere wolk boven het mondiale voetbal hangt.

Een groep leden van het Europees Parlement wil dat er een onderzoek komt naar de rol van Infantino bij de opmerkelijke beslissing om de automatische schorsing van de Amerikaanse international Folarin Balogun op te schorten. Die schorsing verdween nadat de Amerikaanse president Donald Trump persoonlijk contact had opgenomen met Infantino. Dat alleen al roept vragen op die verder gaan dan één speler of één wedstrijd.

De kern van de zaak is niet eens of Balogun uiteindelijk terecht mocht spelen. De vraag is veel fundamenteler: kan een politieke leider invloed uitoefenen op beslissingen binnen een internationale sportorganisatie die juist pretendeert volledig onafhankelijk te opereren?

Volgens de Europarlementariërs is dat precies wat onderzocht moet worden. Zij vragen de nationale voetbalbonden binnen de Europese Unie om druk uit te oefenen op de ethische organen van de FIFA. Daarbij verwijzen zij nadrukkelijk naar de eigen regels van de FIFA over politieke neutraliteit en goed bestuur.

Infantino ontkent dat sprake was van politieke inmenging. Volgens hem is de beslissing genomen door een onafhankelijke disciplinaire commissie en heeft hij zelf geen invloed uitgeoefend op de uitkomst. Dat is een verdedigbare uitleg. Alleen wringt daar meteen iets. In bestuur draait vertrouwen niet uitsluitend om de vraag of regels formeel zijn gevolgd. Minstens zo belangrijk is of iedere twijfel over onafhankelijkheid wordt voorkomen.

Juist daar heeft de FIFA een probleem dat zij grotendeels zelf heeft gecreëerd. De organisatie draagt nog altijd de littekens van het omvangrijke corruptieschandaal uit 2015, dat leidde tot arrestaties, strafrechtelijke onderzoeken en het vertrek van toenmalig voorzitter Sepp Blatter. Infantino werd destijds gekozen met de belofte de bestuurscultuur fundamenteel te veranderen en de geloofwaardigheid van de FIFA te herstellen. Dat verleden maakt iedere nieuwe verdenking automatisch zwaarder.

Daar komt nog iets bij. Infantino heeft de afgelopen jaren een opvallend hechte relatie opgebouwd met verschillende wereldleiders, onder wie Trump. Op zichzelf is daar niets mis mee. De FIFA organiseert immers mondiale evenementen waarbij samenwerking met regeringen onvermijdelijk is. Maar zodra politieke contacten samenvallen met beslissingen die directe sportieve gevolgen hebben, ontstaat een risico dat niet met goede bedoelingen kan worden weggenomen.

Sport leeft immers van één simpele belofte: dezelfde regels gelden voor iedereen. De kleinste voetbalclub en de organiserende grootmacht moeten erop kunnen vertrouwen dat een rode kaart voor iedereen hetzelfde betekent. Zodra supporters gaan geloven dat een telefoontje uit het Witte Huis meer gewicht heeft dan het reglement, brokkelt de geloofwaardigheid van de sport sneller af dan welke sponsorcampagne haar kan herstellen.

Opvallend genoeg vragen de Europarlementariërs niet om een veroordeling, maar om transparantie. Dat is een wezenlijk verschil. Een onafhankelijk onderzoek is geen bewijs van schuld; het is juist het middel om vast te stellen of de besluitvorming eerlijk is verlopen. Wie overtuigd is van zijn eigen integriteit, zou zo'n onderzoek eerder moeten verwelkomen dan vrezen.

Voor de FIFA ligt hier daarom een eenvoudige keuze. Zij kan zich verschansen achter procedures en verklaringen. Of zij kan de gelegenheid aangrijpen om volledig inzicht te geven in de besluitvorming. Alleen dat laatste versterkt het vertrouwen.

Voetbal is uiteindelijk groter dan welke voorzitter ook. Wereldkampioenschappen worden niet herinnerd vanwege bestuurskamers, maar vanwege doelpunten, emoties en sportieve heldendaden. Bestuurders behoren onzichtbaar te zijn. Zodra zij zelf het nieuws worden, is dat zelden een goed teken.

De bal ligt nu niet op het veld, maar in de bestuurskamer van de FIFA. Daar zal moeten blijken of transparantie werkelijk belangrijker is dan imago. Dat antwoord is misschien wel bepalender voor de toekomst van het internationale voetbal dan de uitslag van welke WK-wedstrijd ook.