In een democratie draait alles om vertrouwen. Niet blind vertrouwen, maar het redelijke vertrouwen dat verkiezingsbeloften meer zijn dan marketingmateriaal voor een campagne. Burgers stemmen immers niet op wat politici gisteren deden, maar op wat zij morgen beloven te doen.

De vraag is daarom niet zo vreemd: wat moet een bevolking doen als een kabinet structureel verkiezingsbeloften niet nakomt en tegelijkertijd belastinggeld uitgeeft aan projecten waarvan veel burgers het nut niet inzien?

Allereerst is het verstandig om onderscheid te maken tussen onvermogen en misleiding. Geen enkel kabinet kan alle beloften waarmaken. Economische crises, oorlogen, internationale verdragen, rechterlijke uitspraken en politieke compromissen kunnen plannen doorkruisen. Dat hoort bij de realiteit van besturen. Wie beweert dat elke verkiezingsbelofte heilig is, begrijpt niet hoe politiek werkt.

Maar er bestaat ook een andere situatie. Een situatie waarin beloften tijdens verkiezingen centraal staan, vervolgens vrijwel direct worden afgezwakt, vergeten of zelfs omgekeerd. Wanneer dat niet incidenteel gebeurt maar een patroon wordt, ontstaat een democratisch probleem. Dan groeit de afstand tussen bestuurders en burgers. Niet omdat burgers te weinig begrijpen, maar omdat zij precies begrijpen wat er gebeurt.

De eerste reactie moet nooit geweld of ontwrichting zijn. Geschiedenis laat zien dat samenlevingen daar zelden beter van worden. De kracht van een democratie zit juist in de vreedzame middelen die burgers hebben.

Het krachtigste middel is uiteindelijk de stembus. Politici vrezen geen boze berichten op sociale media. Zij vrezen zetelverlies. Dat weet D66 momenteel als geen ander. Als kiezers partijen blijven belonen die hun beloften niet nakomen, geven zij feitelijk het signaal af dat woorden weinig gevolgen hebben. Democratie werkt alleen wanneer kiezers consequenties verbinden aan gedrag.

Daarnaast moeten burgers kritischer worden op politieke communicatie. Te vaak wordt politieke berichtgeving behandeld als een sportwedstrijd waarin het gaat om winnen of verliezen. De belangrijkere vraag is of een bestuurder heeft gedaan wat hij heeft beloofd. Een samenleving waarin burgers verkiezingsprogramma's, stemgedrag en coalitieakkoorden vergelijken, is veel moeilijker te misleiden dan een samenleving die zich laat leiden door slogans.

Ook maatschappelijke druk speelt een rol. Demonstraties, burgerinitiatieven, inspraakprocedures, onderzoeksjournalistiek en belangenorganisaties zijn geen hinderlijke obstakels voor de democratie. Zij zijn de democratie. Macht zonder controle ontspoort vroeg of laat. Juist daarom zijn kritische burgers noodzakelijk. WOO verzoeken moeten daarom ook sneller worden opgeleverd met een minimum aan zwartgelakte passages.

Hetzelfde geldt voor belastinguitgaven. Wat de één een nutteloos project noemt, kan voor een ander een noodzakelijke investering zijn. Daarom moet de discussie niet draaien om emoties, maar om resultaten. Welk probleem wordt opgelost? Wat kost het? Wat levert het op? En op welke termijn? Is er onafhankelijk bewijs dat het werkt? Overheden zouden veel vaker gedwongen moeten worden om achteraf verantwoording af te leggen over grote uitgaven. Niet alleen vooraf beloven, maar achteraf bewijzen.

Misschien ligt daar wel de kern van het probleem. Te veel politieke aandacht gaat naar intenties en te weinig naar prestaties. Een bestuurder wordt vaak beoordeeld op mooie woorden, goede bedoelingen en aantrekkelijke persconferenties. Een aannemer komt daar niet mee weg. Die moet opleveren wat is afgesproken. Waarom zouden burgers van hun bestuurders minder mogen verwachten?

Een gezonde democratie vraagt geen gehoorzame burgers. Zij vraagt betrokken burgers. Mensen en journalisten die kritische vragen stellen, cijfers controleren, bestuurders aanspreken en uiteindelijk hun stem gebruiken wanneer woorden en daden te ver uit elkaar lopen.

Dat is geen vorm van wantrouwen. Dat is precies hoe democratie hoort te functioneren.

Een kabinet dat zijn beloften niet nakomt, hoeft niet bang te zijn voor het volk. Het moet bang zijn voor een goed geïnformeerd volk. Dat is namelijk de enige macht die in een democratie werkelijk boven de overheid staat.