Het beeld is veelzeggend. Minister van Asiel en Migratie Bart van den Brink stuurt een dringende brief naar alle Nederlandse gemeenten met het verzoek extra opvangplekken voor asielzoekers te realiseren. Bij 47 gemeenten lijkt die brief vervolgens rechtstreeks richting oud papier te zijn gegaan. Geen reactie. Geen voorstel. Geen tegenbod. Gewoon stilte. Volgens berichtgeving van De Telegraaf leidde dat zelfs tot verbazing binnen Den Haag.
De vraag is niet eens of die gemeenten juridisch gelijk hebben. De vraag is wat dit zegt over het functioneren van het openbaar bestuur.
Van den Brink stuurde zijn oproep niet voor zijn plezier. Het ministerie waarschuwde al in maart dat de asielopvang tegen haar grenzen aanloopt. Het tekort aan opvangplaatsen zou kunnen oplopen tot bijna 8.000 plekken. De druk op Ter Apel blijft hoog en het kabinet probeert via de Spreidingswet gemeenten tot een evenredige bijdrage te bewegen.
Tegelijkertijd is er ook iets merkwaardigs aan de verontwaardiging vanuit Den Haag. Veel gemeenten voelen zich al jaren geconfronteerd met beleid waarvan de uitvoering uiteindelijk op hun bord belandt. Bestuurders krijgen inwoners tegenover zich, moeten locaties aanwijzen, veiligheidsvragen beantwoorden en maatschappelijke onrust managen. De minister schrijft de brief; de burgemeester mag de boze bewoners te woord staan.
Dat verklaart echter niet waarom een reactie uitblijft.
Bestuur is geen vrijblijvend WhatsApp-groepje waarin je berichten kunt negeren die je niet bevallen. Als een minister een formeel verzoek doet, hoort daar minimaal een antwoord op te volgen. Dat antwoord mag "nee" zijn. Het mag zelfs een stevig onderbouwde afwijzing zijn. Maar zwijgen is bestuurlijke incompetentie vermomd als protest.
Het wrange is dat beide kanten elkaar gevangen houden. Gemeenten verwijten het Rijk gebrek aan realisme. Het Rijk verwijt gemeenten gebrek aan verantwoordelijkheid. Ondertussen verandert er voor Ter Apel weinig en blijven opvangproblemen zich opstapelen. Dat meer dan tweehonderd gemeenten hun doelstelling uit de Spreidingswet nog niet hebben gehaald, laat zien dat het probleem veel groter is dan die 47 onbeantwoorde brieven.
Een democratische rechtsstaat draait niet op sympathie, maar op institutionele samenwerking. Ministers zijn geen vorsten. Gemeenten zijn geen zelfstandige republieken. Wie bestuurslagen tegen elkaar laat vechten, krijgt geen oplossingen maar wanorde.
Misschien is dat de echte les van deze asielbrief. Niet dat gemeenten lak hebben aan een minister. Maar dat het vertrouwen tussen Den Haag en lokaal bestuur inmiddels zo dun is geworden dat een officiële brief niet meer wordt gezien als een verzoek om samen te werken, maar als een stuk papier voor de oudpapierbak.
En dat is een veel groter probleem dan één genegeerde brief.