Het begint inmiddels voorspelbaar te worden. Vlak voor de Nationale Dodenherdenking wordt het Nationaal Monument op de Dam beklad. Dit keer met rode verf en het woord “genocide”. Niet ergens in een steeg, maar op de plek waar Nederland elk jaar collectief zijn doden herdenkt.

Volgens berichtgeving van onder meer AT5 gebeurde het in de vroege ochtend. De burgemeester, Femke Halsema, noemde het terecht "een ongelooflijk laffe daad" en sprak van vernielzucht, geen protest.

Daar heeft ze gelijk in. Dit is geen debat. Dit is beschadiging van een nationaal symbool op het moment dat het het meest kwetsbaar is.

Maar daar stopt het verhaal niet.

Want je kunt deze daad wel veroordelen — en dat moet — maar je kunt niet doen alsof hij uit het niets komt. De bekladding past in een patroon dat al jaren zichtbaar is. Rode verf op gebouwen, leuzen tegen Israël, acties die steeds verder opschuiven van demonstratie naar intimidatie.

En Amsterdam speelt daarin een centrale rol.

De stad heeft zich ontwikkeld tot een plek waar anti-Israël-demonstraties ruim baan krijgen. Dat is geen geheim. Het past binnen het Nederlandse demonstratierecht en wordt door het stadsbestuur bewust gefaciliteerd. Maar daar zit een grens — en die wordt structureel genegeerd.

Want een deel van die demonstraties blijft niet bij kritiek op een staat. Ze glijden af richting antisemitische retoriek, intimidatie van Joodse instellingen en een sfeer waarin Joodse Amsterdammers zich minder veilig voelen. Dat is geen interpretatie, dat is een ontwikkeling die door meerdere organisaties en analyses wordt gesignaleerd.

En daar wordt nauwelijks op ingegrepen.

Sterker nog: het beleid lijkt te zijn dat zolang iets formeel onder "demonstratie" valt, het doorgang moet vinden. Verbieden is het laatste redmiddel. Dat klinkt principieel. In de praktijk betekent het dat escalatie wordt gedoogd totdat het zichtbaar ontspoort.

De bekladding van het monument is daar een logisch gevolg van.

Niet omdat elke demonstrant een vandaal is, maar omdat de norm vervaagt. Als je maandenlang accepteert dat publieke ruimte wordt gebruikt voor steeds scherpere, agressievere uitingen — inclusief symboliek die bewust choqueert — dan verschuift de grens vanzelf. Dan is rode verf op een monument geen uitzondering meer, maar een volgende stap.

Dat is precies wat er gebeurt.

Zelfs in analyses wordt erkend dat dit soort acties inmiddels routine zijn geworden en dat de impact afneemt. Dat klinkt onschuldig, maar het tegenovergestelde is waar. Als iets normaal wordt, betekent het dat de onderliggende grens al is verdwenen.

En dan kom je op het ongemakkelijke punt.

Want dezelfde burgemeester die deze daad "laf" noemt, is ook degene die het bredere klimaat waarin dit soort acties ontstaan, beheert. Dat is geen persoonlijke aanval, dat is bestuurlijke realiteit. Je kunt niet tegelijk zeggen dat dit soort escalaties onacceptabel zijn én een beleid voeren dat de voedingsbodem intact laat.

Dat wringt.

Het argument dat demonstraties niet verboden mogen worden, is juridisch begrijpelijk. Maar het wordt te makkelijk gebruikt als schild. Demonstratierecht is geen vrijbrief voor intimidatie, en zeker geen reden om structureel weg te kijken bij antisemitische ontsporingen.

Daar had allang harder op gestuurd moeten worden.

Niet door alles te verbieden, maar door duidelijke grenzen te trekken en die ook te handhaven. Consequent. Zonder politieke aarzeling. Want wat nu gebeurt, is het tegenovergestelde: grenzen worden pas zichtbaar wanneer ze al zijn overschreden.

De bekladding van 4 mei is daar het bewijs van.

En dan blijft er een ongemakkelijke conclusie over. Niet populair, maar wel logisch.

Dit was geen incident.

Dit was het resultaat van jarenlang oprekken, gedogen en wegkijken — tot het moment dat iemand besluit dat zelfs een oorlogsmonument op de dag van nationale rouw een geschikt canvas is voor een politieke boodschap.

Dat is de echte schade.

Niet de verf. Die is eraf.

De norm is weg.