IsraĆ«l en de Verenigde Staten noemen het "preventief", "noodzakelijk", soms zelfs "onvermijdelijk". Vind ik ook. Echter wat IsraĆ«l en de Verenigde Staten de afgelopen dagen hebben gedaan is in werkelijkheid iets gevaarlijks: ze hebben de grens van het internationaal recht op brute wijze verlegd. Dat is geen retorische overdrijving maar een feit met concrete gevolgen — strategisch, juridisch en politiek — voor Europa en voor de Verenigde Staten zelf.

De militaire operatie tegen doelen in Iran, uitgevoerd door westerse en IsraĆ«lische vliegtuigen en drones, werd gepresenteerd als een antwoord op een existentieel gevaar. Maar juridische experts wijzen direct op het probleem: het VN-Handvest staat alleen het gebruik van geweld toe in twee gevallen — toestemming van de Veiligheidsraad of legitieme zelfverdediging onder artikel 51 — en geen van beide lijkt hier waterdicht toepasbaar. "Preventieve" aanvallen tegen een vermoedelijk toekomstig gevaar zijn in de klassieke interpretatie van het volkenrecht niet zomaar een vrijbrief voor invasie of regime-change. Dat is precies wat meerdere onafhankelijke juridische analyses en commentaren concluderen: de feiten die staten aanvoeren voor een rechtvaardiging zullen nauwkeurig en openbaar moeten worden gemaakt, anders blijft het handelen juridisch wankel.

Wat we nu zien is geen losstaand incident. Parlementsbrieven en beleidsanalyses documenteren dat dit conflict zich snel heeft ontwikkeld tot iets dat veel groter is dan een reeks luchtaanvallen: het roept vragen op over de kwalificatie van de situatie als een internationale gewapende confrontatie, over aansprakelijkheid voor burgerdoden en over de rol van staten die bases en luchtruim beschikbaar stelden. Die documenten zijn geen polemiek; het zijn fact sheets en juridische briefings die aangeven dat we op een kantelpunt staan. Als de feiten achter de rechtvaardiging niet worden voorgelegd aan neutrale fora, drijven we af richting normalisering van unilateralistisch geweld.

Europa staat op dit kruispunt met twee keuzes: gehoorzamen aan geopolitieke dwang en escalatie, of vasthouden aan de regels die het na 1945 heeft helpen vormgeven. De Europese Unie heeft in woorden altijd voorrang gegeven aan diplomatie — maar woorden zijn geen garanties. Als Europese regeringen bij de uitvoering van militaire taken kiezen om zich stilzwijgend aan te sluiten of logistiek te faciliteren zonder strikte juridische toetsing, dan compliceer je niet alleen de feiten op de grond: je ontsnapt aan het juridische kader dat ons nog enige voorspelbaarheid gaf. Het resultaat is een continent dat meeregeert in andermans oorlogen en tegelijk haar eigen geloofwaardigheid verliest wanneer zij vraagt om naleving van international human rights en het oorlogsrecht elders. De EU heeft zichzelf eerder beloofd te investeren in diplomatie en ontwapening; nu blijkt hoe snel die belofte op de proef wordt gesteld.

Voor de Verenigde Staten geldt iets anders maar even keihard: de binnenlandse politiek mag er om vragen, maar internationale rechtsnormen laten zich niet stemmen. Wanneer een wereldmacht grootschalig geweld inzet zonder Veiligheidsraadmandaat en zonder die dwingende, direct verifieerbare feiten die zelfverdediging zouden kunnen dragen, dan ondermijn je de institutionele architectuur waarvan je zelf vaak baat hebt gehad. Het korte termijn winstdenken — strategische doelen halen door militaire slagkracht — kan leiden tot langdurige strategische schade: verzwakking van allianties, afkalving van moreel gezag en wijdverbreide tegenreacties in het Global South die de VS juist politiek en economisch moeten bereiken.

Er is ook een praktisch juridisch probleem dat niet mag worden genegeerd: proportionaliteit en noodzaak. Zelfs als een staat zich op papier beroept op zelfverdediging, dan nog moeten acties noodzakelijk en proportioneel zijn — en dat wordt in oorlogen de kern van aansprakelijkheid voor schade aan burgers en infrastructuur. Rechtvaardiging op basis van vage dreigingen of “mogelijkheden” van de tegenpartij is precies waarom het internationale recht zulke strikte grenzen kent. Die grenzen bestaan niet om staten te hinderen; ze bestaan om te voorkomen dat geopolitieke rivalen constant elkaar uitwissen onder het mom van preventie.

Wat jij en ik merken — buiten de juridische analyse en strategische kaarten — is iets eenvoudigers en grimmigers: veiligheid die duurder wordt, economieĆ«n die onrustiger draaien en een Europa dat gedwongen wordt keuzes te maken waar het geen gemakkelijke kant bij heeft. Diplomatie en rechtsstaatelijkheid zijn niet romantische toevoegingen; ze zijn mechanismen om escalatie te vermijden. Nu die mechanismen worden omzeild, blijft alleen brute macht over, en brute macht creĆ«ert tegenmacht. Dat is geen hoogdravend filosofisch argument maar praktische realiteit: meer staten zullen hun militaire opties verruimen, regionale spanningen verhevigen en internationale samenwerking op talloze dossiers — van klimaat tot handel — lijden onder het mutual distrust.

Kortom, dit geeft stof tot nadenken. Wie nu applaudisseert voor snelle militaire successen vergeet ƩƩn cruciale vraag: wil je een wereld waar staten elkaar preventief mogen bestoken op basis van vermoedens? Als het antwoord nee is, dan begint de strijd niet op het slagveld, maar in de diplomatieke zaal, de rechtbank en in parlementsbanken. Daar moet bewijs worden geleverd, verantwoording worden afgelegd en grenzen hersteld. Als die zaken niet gebeuren, rest er uiteindelijk een bittere les: het einde van het recht als rem op macht. En dat is precies wat niemand zich kan veroorloven.