Het scenario van een oorlog tegen Iran door Israƫl en de Amerikaanse regering ontneemt ons niet alleen de slaap, maar roept ook fundamentele vragen op over de internationale rechtsorde die sinds 1945 zou moeten voorkomen dat grootmachten zomaar andere landen binnenvallen. We bevinden ons op een scheidingslijn waar rechtsstaat en realpolitiek botsen, met consequenties die veel verder reiken dan het Midden-Oosten.
Het internationale recht staat hier namelijk onder enorme spanning. Het Handvest van de Verenigde Naties laat militaire interventie slechts toe in twee gevallen: wanneer de Veiligheidsraad dit autoriseert, of in zelfverdediging tegen een actueel bewapend aanval. Beide voorwaarden zijn problematisch in de context van Iran. Een Veiligheidsraad-autorisatie zit er niet in met Rusland en China aan tafel, die zo'n resolutie zouden blokkeren. Het zelfverdedigingsargument vereist aantoonbare onmiddellijke bedreiging – niet speculatie over toekomstige mogelijkheden.
Toch hanteren zowel Israƫl als de VS sinds jaren een expansieve interpretatie van zelfverdediging. Ze betogen dat preventieve slagen tegen kernfaciliteiten of militaire infrastructuur gerechtvaardigd zijn. Dit raakt de kern van een fundamenteel juridisch dilemma: wanneer mag je toeslaan tegen wat iemand zou kunnen doen in plaats van wat ze daadwerkelijk doen? Internationaalrechtelijk ligt hier een zeer dunne lijn. Israƫls eerdere bombardementen op reactoren in Irak (1981) en op Syrische faciliteiten worden door kritische juridische scholieren gezien als precedenten die het internationale recht juist hebben ondergraven, niet verstevigd.
Het Internationaal Strafhof en mensenrechtenorganisaties wijzen erop dat bombardementen op burgerdoelwitten of infrastructuur die civiele bevolking raakt – denk aan elektriciteitsnetwerken, waterzuiveringen of ziekenhuizen – oorlogsmisdaden kunnen vormen. De verplichte proportionaliteitsbepaling en onderscheiding tussen militaire en civiele doelen krijgen hier betekenis. Bij een grootschalige militaire campagne tegen Iran is de waarschijnlijkheid van massale burgerschade niet theoretisch maar vrijwel zeker.
Voor de rechtmatigheid van acties speelt ook artikel 2(4) van het VN-Handvest mee, dat stelt dat alle leden hun internationale betrekkingen zullen ontslaan van het dreigen met of het gebruik van geweld gericht tegen de territoriale integriteit of politieke onafhankelijkheid van enige staat. Dit artikel is eigenlijk vrij duidelijk. Toch hebben machtige staten dit steeds vaker genegeerd – van de Irakoorlog (waarvan zelfs Kofi Annan zei dat deze in strijd was met internationaal recht) tot recente interventies.
De politieke realiteit in Washington en Tel Aviv lijkt eerder geleidt door geostrategische belangen dan door juridische kaders. Iran wordt gezien als regionale hegemon en proxy-conflicten voeren via Hezbollah, Houthi's en andere groepen. Deze zorgen zijn niet ongegrond. Tegelijk geldt: het onderdrukkingsgevoel in Teheran over decennia westerse bemoeienis (de CIA-coup van 1953 staat nog altijd in het geheugen) en sancties maakt het conflict veel complexer dan een simpel geval van agressie.
Voor Europa ontstaat hier een delicaat dilemma. Enerzijds zijn NAVO-bondgenoten van de VS, anderzijds willen Europese leiders zich niet volledig laten meeslepen in conflict dat hun energiezekerheid, economische relaties en regionaal beleid ondermijnt. Een volledige oorlog tegen Iran zou energieprijzen de stratossfeer in jagen – de Straat van Hormuz, waar een derde van de mondiale olie doorheen gaat, zou potentieel gesloten raken. Verder zou zo'n conflict vluchtelingencrisissen veroorzaken die Europa direct raken. Rusland en China zouden hun invloed vergroten als westerse machten zich vastbijten in een langdurig conflict, precies wat Europa nu echt niet nodig heeft.
Europese grondwettelijke tradities zijn bovendien gebouwd op het idee dat oorlog geen politiek instrument mag zijn. Deze principes, uit de as van twee wereldoorlogen ontstaan, voelen onder druk. Nederland, Duitsland en Frankrijk hebben alle drie zorgzaam afstand bewaard van brede militaire avonturen. Maar als de VS-Iran-Israƫl-driehoek ontploft, kunnen ze zich daar wellicht niet aan onttrekken.
De VS heeft intern ook spanning. De Amerikaanse grondwet reserveert het recht voor oorlogsverklaring voor het Congres, niet de president. Toch hebben recent presidenten steeds vaker militaire acties gelanceerd zonder formele Congressionele autorisatie. Dit ondergraaft het Amerikaanse constitutionele systeem van checks and balances – ironisch voor een land dat zichzelf vrijheid-strijder noemt.
Het tragische is dat niemand werkelijk van een Iraanse oorlog wint. Militairen en burgers zouden sterven in aanzienlijke getallen. De regionale instabiliteit zou alleen maar toenemen. Terroristische organisaties krijgen dan gratis rekruteringspraat. De wereld zou verder versnipperen in blokken, wat multilateralisme verder ondermijnt.
Internationaal recht zonder mechanismen voor handhaving is papier, maar papier waaraan staten toch nog enige waarde hechten. Dat papier is nodig, juist nu. Het zou teleurstellend zijn als we leren dat dertig jaar na het Koude Oorlog-einde de sterkeren doen wat ze willen. DĆ”t is geen stabiliteit – dĆ”t is alleen maar uitstel van volgende crisissen.