Nederland dacht altijd dat antisemitisme iets was van geschiedenisboeken. Van vergeelde foto's, herdenkingen, en plechtige toespraken op 4 mei. Echter maart 2026 heeft die comfortabele illusie bruut doorbroken.
Binnen twee dagen werden twee Joodse instellingen aangevallen. Eerst een synagoge in Rotterdam die in brand werd gestoken. Daarna een explosief tegen de muur van een Joodse school in Amsterdam. Geen slachtoffers, wel een boodschap: Joden zijn opnieuw doelwit.
De explosie bij de orthodoxe school in Amsterdam werd door burgemeester Femke Halsema een "gerichte aanval op de Joodse gemeenschap" genoemd. De daders arriveerden op een scooter, plaatsten een explosief en verdwenen weer.
Dit zijn geen losse incidenten. Dit is een patroon. En wat doet Den Haag? Den Haag houdt gesprekken.
Premier Rob Jetten veroordeelde de aanslagen – uiteraard – en zei dat er "geen plaats is voor antisemitisme in Nederland". Dat klinkt stevig. Tot je kijkt naar de realiteit.
De realiteit is dat vertegenwoordigers van de Joodse gemeenschap na gesprekken met de premier openlijk teleurgesteld waren, omdat zij het gevoel hadden dat het probleem werd gebagatelliseerd. Dat is het kernprobleem van dit kabinet: woorden zijn goedkoop, maar beleid heeft gevolgen. Want antisemitisme groeit niet in een vacuüm. Het groeit waar ideologie, importconflicten en politieke lafheid elkaar ontmoeten.
De Europese Unie heeft de afgelopen decennia miljoenen mensen geïmporteerd uit regio's waar antisemitisme geen randverschijnsel is, maar een cultureel en politiek ingebed fenomeen. Dat is geen mening; dat is een sociologisch feit waar talloze onderzoeken op wijzen. In delen van het Midden-Oosten is antisemitisme mainstream, niet marginaal.
Wanneer je dat conflict, inclusief zijn ideologieën, massaal importeert, importeer je ook de spanningen die daarbij horen. Dat is precies wat Nederland heeft gedaan.
Kijk naar de context. Sinds de oorlog tussen Israël en Iran in 2026 melden internationale organisaties een stijging van antisemitische incidenten wereldwijd, inclusief Nederland. Ook hier zien we hetzelfde mechanisme dat al jaren zichtbaar is in steden als Parijs, Malmö en Brussel: geopolitieke conflicten worden op Europese straten uitgevochten.
De synagoge in Rotterdam. De school in Amsterdam. Het zijn lokale doelen voor een wereldwijd conflict.
En dan komt de hypocrisie. Partijen als D66 presenteren zichzelf graag als kampioenen van tolerantie en diversiteit. Maar hun immigratie- en integratiebeleid heeft een harde realiteit: spanningen worden geïmporteerd en vervolgens ontkend.
De politieke reflex is voorspelbaar. Eerst volgt de morele verontwaardiging. Daarna een gesprek met de gemeenschap. Vervolgens een belofte dat antisemitisme "geen plaats heeft". Maar ondertussen groeit het probleem.
Zelfs binnen universiteiten melden Joodse studenten zich onveilig tijdens protesten rond het Israël-Palestina-conflict, volgens een Nederlandse taskforce over antisemitisme. Dat betekent dat het probleem niet alleen op straat zit. Het zit ook in instituties.
De waarheid is dat Nederland een politiek systeem heeft ontwikkeld waarin morele signalering belangrijker is dan het benoemen van oorzaken. Politici praten liever over "polarisatie" dan over ideologie. Liever over "incidenten" dan over patronen. Maar wie weigert oorzaken te benoemen, kan ook geen oplossingen vinden.
Als je een explosief tegen een Joodse school plaatst, is dat geen abstract "incident". Dat is antisemitisme. Als een synagoge in brand wordt gestoken, is dat geen "maatschappelijke spanning". Dat is haat.
En als een regering structureel beleid voert dat conflicten uit andere delen van de wereld naar Nederland haalt, dan hoort daar ook politieke verantwoordelijkheid bij.
Nederland kan twee dingen doen. Blijven doen wat het nu doet: praten, veroordelen en hopen dat het probleem verdwijnt; of eindelijk erkennen dat antisemitisme in de Europese Unie in de 21e eeuw vaak samenhangt met geïmporteerde ideologieën, geopolitieke conflicten en falend integratiebeleid.
En juist dát gesprek wordt nu al jaren vermeden. Maar ondertussen worden synagogen in brand gestoken en scholen opgeblazen. En dan is de vraag niet meer of Nederland een antisemitismeprobleem heeft. De vraag is: wie durft eindelijk te zeggen waar het vandaan komt.