Er waart een spook door Iran. Niet het communisme, maar iets veel angstaan­jagenders voor het ayatollah-regime: een bevolking die er klaar mee is. Echt klaar. Niet "laten we morgen nog eens praten"-klaar, maar "pak je tulband en ga"-klaar.

Stad na stad – van Teheran tot Mashhad, van Isfahan tot plekken waarvan de mullahs hoopten dat niemand ze op de wereldkaart kon aanwijzen – klinken leuzen die vroeger alleen binnensmonds werden gemompeld. Nu worden ze geschreeuwd. Hard. Met galm. En met een opmerkelijke eensgezindheid: "Dood aan de dictator" en "Dood aan de mullahs." Dat zijn geen metaforen. Dat is volkswoede met hoofdletters.

De islamitische geestelijkheid, die al decennia doet alsof zij namens God spreekt, ontdekt nu dat God blijkbaar ook een inbox heeft vol klachten. En die klachten komen niet van buitenlandse agenten, westerse samenzweerders of CIA-spoken – maar van gewone Iraniërs die hun loon zien verdampen, hun dochters zien onderdrukken en hun toekomst zien verdwijnen in een zee van religieuze hypocrisie.

Het regime reageert zoals altijd: internet eruit, knuppels erin, arrestatiebusjes vol. Dat is hun idee van dialoog. Maar deze keer voelt het anders. De angst is verschoven. Niet bij de bevolking, maar bij de machthebbers. Want als mensen niet meer fluisteren maar schreeuwen, en niet meer smeken maar eisen, dan weet je dat het fundament kraakt.

De haat richt zich niet vaag "tegen de overheid". Nee, dit is persoonlijk. De woede is gericht op de mullahs zelf – de mannen met baarden, privileges en preken. Zij die luxe leven terwijl ze armoede prediken. Zij die vrouwen onderdrukken terwijl ze morele zuiverheid claimen. Zij die jongeren vertellen hoe ze moeten leven, terwijl ze zelf nooit verantwoordelijkheid afleggen.

De tulband is geen religieus symbool meer, maar een politiek doelwit. En dat is nieuw. Het regime weet: zodra de heilige status verdwijnt, blijft er niets over dan macht zonder legitimiteit. En macht zonder legitimiteit is gewoon een dure toneelvoorstelling met te veel figuranten en te weinig applaus.

Aan de zijlijn staat Donald Trump. Meeloerend, commentaar leverend, dreigend met spierballentaal alsof hij op een balkon staat bij een burenruzie. Hij twittert steun, waarschuwt Teheran dat "de wereld meekijkt" en hoopt zichtbaar dat hij weer even middelpunt van het wereldtoneel mag zijn.

Voor de Iraanse demonstranten is Trump ongeveer even relevant als een claxon tijdens een aardbeving. Leuk geluid, weinig impact. Hun strijd gaat niet over Amerika, maar over hun eigen leven. Toch irriteert het regime zich mateloos aan zijn bemoeizucht — want niets is zo ongemakkelijk als revolutie met publiek.

En dan is er Israël. Stil, oplettend, strategisch. Als een buurman die al jaren weet dat het huis naast hem op instorten staat en nu alleen nog wacht op het moment dat de eerste muur valt. Israël hoeft niets te zeggen; hun aanwezigheid is voelbaar. En dat maakt de Iraanse machthebbers nóg nerveuzer.

Want interne opstand gecombineerd met externe dreiging is het recept waar autoritaire regimes nachtmerries van krijgen.

Laat één ding duidelijk zijn: dit is geen tijdelijke onvrede over prijzen of beleid. Dit is een afrekening met 45 jaar religieuze betutteling, repressie en arrogantie. De bevolking wil geen hervormingen meer, geen nieuwe beloftes, geen zachtere mullahs. Ze willen ze weg. Punt!

Of het regime nu valt of niet — iets is onherstelbaar gebroken. De angst is weg. En zodra angst verdwijnt, blijven alleen nog de mullahs over. Alleen. Met hun preken. Tegen een volk dat niet meer luistert.

En dat, voor een theocratie, is dodelijker dan welk buitenlands complot dan ook.