Ik wind er geen doekje om. Wat er nú bij de PVV gebeurt is geen kinderziekte van een partij, het is een symptoom van een doodlopende politieke weg.

Zeven Kamerleden lopen weg bij de partij van Geert Wilders. Ze stappen op, vormen een eigen fractie, en zeggen expliciet dat Wilders' stijl en koers niet langer houdbaar zijn. Ze willen interne democratie, ze willen resultaten voor kiezers, en ze willen niet dat één persoon alles bepaalt terwijl de partij geen leden heeft behalve Wilders zelf. Wilders weigert dat, dus stokt elke discussie. Dit is geen klein protestje – meer dan een kwart van de fractie loopt weg.

Laat dat even tot je doordringen. De PVV is letterlijk een eenmanszaak met politieke zetels. Geen leden, geen interne besluitvorming, geen check op de leider – alleen Wilders. En nu zelfs zijn eigen collega's zeggen: "Zo kan het niet langer." Dat is geen meningsverschil over kleurplaatjes, dat is een fundamentele breuk. Zelfs vormalig trouw PVV'er Harm Beertema is het met de weglopers eens.

Jij en ik kunnen politiek raar vinden, we kunnen Wilders goed of slecht vinden, maar dit gaat over realiteit: een partij die eruitziet als machtig – 26 zetels – blijkt intern zo broos dat een knik in de weg meteen tot splijtzwam leidt. In de praktijk betekent dit dat de PVV op weg is om irrelevant te worden. Geen stabiliteit, geen samenhang, geen strategie die bredere steun heeft dan Wilders en Wilders alleen.

En waarom dan deze splijtzwam? Omdat Wilders weigert te veranderen. De vertrekkende groep zei letterlijk dat er gebrek aan discussie en democratie is binnen de PVV, en dat de partij onvoldoende heeft bereikt voor kiezers. Ze wilden koerswijzigingen, een andere aanpak tegenover het kabinet en meer samenwerking – Wilders trok een streep.

Dit is het moment waarop je als politicus zou moeten inzien: je koers werkt niet. Als zelfs jouw eigen medewerkers zeggen dat je leiderschap niet functioneert, ben je niet op een doodlopende weg, je bent al afgestapt van de kaart. En toch blijft Wilders doen alsof hij gelijk heeft en de anderen kinderachtig zijn. Dat is geen overtuiging meer; dat is rigiditeit.

Je kunt zeggen wat je wilt over Wilders’ standpunten – ik ga dat niet verzachten – maar feiten liegen niet: hij zit in een oppositieperiode waarin zijn partij verliest, verdeeld raakt en zichzelf uitholt. De grootste oppositiepartij? Niet meer. Coalitiepartner? Niet eens meer in beeld. Interne cohesie? In stukken.

Laat me het simpel zeggen: Wilders had kansen. Hij had invloed in het kabinet, hij had een grotere fractie dan ooit. In plaats van die kansen te verzilveren koos hij voor confrontatie en maximalisme. De prijs? Interne rebellie en een partij die eruitziet als een brandend huis waarvan de bewoners net de deur uitrennen.

Dit is geen kleine crisis, dit is een faillietverklaring van een leiderschapsstijl. Als je niet met jouw eigen mensen kunt samenwerken, wat zegt dat dan over je vermogen om met andere partijen of met een land te besturen? Precies: niets goeds. De PVV is geen tak meer die buigt in de wind; het is een tak dat knakt in de wind. En Wilders? Die blijft halsstarrig hangen in zijn eigen illusies.