Nederland krijgt een minderheidskabinet. Niet omdat het zo'n hip Scandinavisch idee is, maar omdat drie partijen na weken formeren ontdekten dat een meerderheid eigenlijk best ingewikkeld is. Dus besloten D66, VVD en CDA: dan doen we het toch zonder?

Het is een beetje alsof je met z'n drieën een boot instapt en pas op zee merkt dat er gaten in de romp zitten. Maar geen zorgen, zeggen de kapiteins: "We varen flexibel."

Met 66 zetels in de Tweede Kamer is dit kabinet net zo stevig als een campingtafel op nat gras. Iedere nieuwe wet wordt een onderhandeling, iedere stemming een surprise-party, en iedere oppositiepartij mag ineens meebeslissen. Democratie deluxe — mits iedereen zin heeft.

De keuze voor een minderheidskabinet kwam niet voort uit romantiek, maar uit armoede. JA21 stond klaar met de jas al aan, maar werd vriendelijk doch resoluut terug naar de garderobe gestuurd. GroenLinks-PvdA mocht niet eens binnenkomen. Te links, te lastig, te… meerderheid.

En zo ontstond het politieke equivalent van "we redden het wel met wat we hebben". VVD wil doorpakken, D66 wil nuance, CDA wil vooral niet verdwalen. Samen vormen ze een kabinet dat bij elk voorstel eerst even moet checken of iemand het goedvindt. Spoiler: dat is zelden iedereen.

Voor de oppositie is dit een droomscenario. Nog nooit was "nee" zo krachtig. Nog nooit kon een motie zoveel macht hebben. Elke partij krijgt even het gevoel dat ze meeregeert — totdat ze beseffen dat ze ook verantwoordelijk worden gehouden.

Het kabinet noemt het "een nieuwe bestuurscultuur". Critici noemen het “besturen met zijwieltjes”. En ergens hebben ze allebei gelijk. Minderheidskabinetten vragen om overleg, souplesse en politieke lenigheid. Dat is prachtig — tenzij het betekent dat alles vertraagt, verdampt of eindigt in nachtelijke marathonsessies met lauwe koffie.

De komende maanden worden interessant. Elk wetsvoorstel wordt een Tinderdate: willen jullie dit ook? Soms is er een match, soms wordt er geghost. En soms denkt iedereen ja te zeggen, totdat de stemming komt.

Maar laten we eerlijk zijn: dit kabinet is ook typisch Nederlands. Geen grote gebaren, geen harde breuken, maar polderen tot zelfs de polder er moe van wordt. Het motto lijkt: als niemand écht blij is, dan hebben we het goed gedaan.

Dus daar gaan we. Met minderheid, maar met vertrouwen. En met een oppositie die scherper is dan ooit.

Welkom in het politieke seizoen waarin elke stem telt — vooral die van iemand anders.