Het begon met een onschuldig sneeuwvlokje. Zo'n romantisch ding dat in kerstfilms langzaam neerdaalt terwijl iemand cacao drinkt. Maar in Nederland betekent één sneeuwvlok: code oranje in het hoofd van de supermarktbezoeker. En ja hoor, daar gingen we weer.

Bij binnenkomst in de supermarkt trof ik het toneel van een rampenfilm aan. Geen meteoren, geen zombies, maar… lege schappen. De groenteafdeling leek op een minimalistische kunstinstallatie: "Komkommer, 2026, gemengde gevoelens." De levering van verse producten was geannuleerd wegens winterweer. Winterweer! Alsof de sperziebonen met open sandalen over de A2 moesten lopen.

Mensen keken elkaar aan met de blik van schipbreukelingen. "Heb jij nog bananen gezien?" fluisterde iemand, alsof het om smokkelwaar ging. Een ander stond te huilen bij het koelvak waar ooit spinazie woonde. Drama in zijn puurste vorm.

Bij Albert Heijn probeerden ze de rust te bewaren. Er hing een A4'tje: "Door weersomstandigheden zijn sommige producten tijdelijk niet leverbaar." Tijdelijk. Dat woord is hier cruciaal. In supermarkttijd betekent "tijdelijk" alles tussen "vanmiddag" en "na de volgende ijstijd".

Wat me het meest fascineert, is onze reactie. We wonen in een land waar de Elfstedentocht mythischer is dan Atlantis, maar bij vijf centimeter sneeuw doen we alsof de beschaving instort. Mensen hamsteren alsof ze zich voorbereiden op een winters beleg. Karren vol pasta, rijst en toiletpapier. Want niets zegt overleven in de sneeuw als zeven pakken penne en een zacht drielaags comfort.

En dan die verse producten. Geen avocado's. Geen sla. Geen bessen voor in de smoothie. Plots moesten we weer eten als in 1993. Aardappelen. Uit de grond. Gekookt. Met jus. Ik zag twintigers vertwijfeld Googelen: "Hoe bereid je een winterpeen zonder influencer?"

Ook zag ik mensen fanatiek zoeken naar waxinelichtjes, alsof de stroom elk moment definitief zou verdwijnen en we massaal rond een vuurkorf verhalen moesten gaan vertellen over die ene keer dat de paprika's op waren.

Het noodpakket is sowieso een fascinerend concept. Volgens de overheid moet je er 72 uur mee doorkomen. Volgens de gemiddelde Nederlander betekent dat: drie dagen leven op rijstwafels, knakworsten uit blik en pure angst. Want ja, wat als het sneeuwt én de bezorging niet komt én je quinoa op is? Dan rest ons niets dan beschavingstechnisch verval.

Het mooiste is dat het noodpakket meestal wordt samengesteld tijdens lichte paniek, tussen het graaien naar de laatste zak uien en het zuchten bij het lege broodschap. Mensen kopen dingen die ze normaal nooit eten. Na de dooi blijft dat pakket dan jarenlang onaangeroerd in de meterkast liggen, als stille herinnering aan De Grote Winter van dinsdag.

Maar goed, beter voorbereid dan hongerig. En mocht het echt misgaan: met een kaars, een fles water en zeven pakken pasta kom je een heel eind. Zeker mentaal.

Toch is er iets moois aan dit alles. Even geen perfect gevulde schappen. Even beseffen dat een supermarkt geen natuurwet is, maar een logistiek wonder op wieltjes. En dat een aantal sneeuwvlokjes genoeg zijn om dat wonder lichtjes te laten wankelen.

Dus laten we ademhalen. De vrachtwagens komen wel weer. De komkommers ook. En tot die tijd? Eet een boterham met pindakaas. Dat deden we vroeger ook. En kijk, we leven nog.