De winter en ik hebben een ingewikkelde relatie. Het is geen haat-liefdeverhouding — daarvoor zit er te veel haat in en opvallend weinig liefde. Zodra de zomer zijn koffers pakt en de winter zonder aanbellen mijn leven binnenstormt, begint het verlangen. Verlangen naar zon, terrasstoelen en het gevoel in mijn tenen.

In de winter bestaat mijn ochtendritueel uit onderhandelen met mezelf. "Als je nu opstaat, mag je straks een extra kop koffie." Vijf minuten later: "Oké, twee koekjes." Nog eens vijf minuten later lig ik nog steeds in bed, als een menselijke burrito, strak ingepakt in dekens en pure zelfmisleiding. Buiten is het donker, koud en sneeuwt het — drie dingen die je normaal alleen in een horrorfilm aantreft.

De winter is ook het seizoen van onhandige kleding. Zomerlichamen verdwijnen onder lagen wol, dons en functionele ellende. Niemand ziet er in januari aantrekkelijk uit; we lijken allemaal op wandelende wasmanden. En dan die sjaals. Ze beloven warmte, maar eindigen altijd als een soort stropdas van wanhoop die je langzaam wurgt terwijl je probeert adem te halen.

En laten we het weer even over het weer hebben. Sneeuw en regen die horizontaal valt. Wind die persoonlijk lijkt te zijn. Je kapsel is bij vertrek acceptabel, bij aankomst een artistieke interpretatie van een ontplofte pluimveehouderij. In de zomer zweet je misschien, maar in de winter lijd je. En niemand heeft ooit gezegd: "Wat fijn, min 5 graden! Daar word ik echt vrolijk van." Behalve die Elfstedentochtfans dan.

Mijn verlangen naar de zomer is inmiddels ongezond. Ik ruik zonnebrand in januari. Ik kijk jaloers naar oude vakantiefoto’s alsof het exen zijn die het nu beter doen zonder mij. Ik droom van terrasjes, waar je bier koud is uit vrije wil en niet omdat het buiten al koeler is dan je koelkast.

In de zomer zijn mensen aardiger. De vrouwen mooier. Of misschien zijn ze hetzelfde, maar zie je het anders omdat de zon alles vergeeft. In de winter heeft iedereen haast, koude handen en een gezicht dat zegt: "Praat niet tegen me, ik heb net mijn handschoen laten vallen."

Dus ja, winter: ik haat je. Met je vroege duisternis, je half bevroren sokken en je eeuwige verkoudheid. Doe wat je moet doen, maar schiet een beetje op. De zomer wacht. En ik ook. Met open armen. Zonder jas.