De NOS lijkt de laatste dagen soms journalistiek amnesie te hebben: groot uitgemeten beelden van tienduizenden pro-regimebetogers, terwijl de stroom aan video's en getuigenissen van miljoenen Iraniërs die het regime verketteren op sociale media onverdacht snel als 'ruis' wordt weggeschreven. Dat is geen kleinigheid van framing — dat is het verschil tussen het tonen van staatsaangeleverd theater en het verslaan van een massabeweging die door censuur en schoten heen probeert gehoord te worden. NOS kopte vandaag wél over pro-regimebijeenkomsten, maar berichtte tegelijkertijd ook over brede protesten en het snel oplopende dodental; beide waarheden naast elkaar zeggen iets anders dan het éénzijdig benadrukken van staatsvriendelijke manifestaties.
Want de werkelijkheid op straat is hard en niet te negeren: mensen demonstreren in (naar verluidt) honderden steden, het regime legt het internet lam en mensen verdwijnen in massa-arrestaties. Mensenrechtenorganisaties spreken van een bloedige schaal van repressie; Amnesty en andere waarnemers rapporteerden een scherpe toename van doden, gewonden en willekeurige aanhoudingen. Waar NOS soms afstandelijk de aantallen en verklaringen noteert, staan op sociale media de beelden van oproerpolitie en stomende rouwstoeten — beelden die wél passen bij de conclusies van onafhankelijke mensenrechtenonderzoekers.
En over die doden gesproken: onafhankelijke Iran-rapporteurs en groepen zoals HRANA melden honderden doden en tienduizenden arrestaties in korte tijd — cijfers die, ondanks het informatiegebrek door blackouts, consequent wijzen op een gewelddadige staatsreactie. Dat maakt het simpelweg onhoudbaar om het hele verhaal als 'geen crisis' of als louter een botsing tussen twee straatgroepen te presenteren. Journalisten mogen de nuance zoeken, maar zij mogen het morele kompas niet in een stilzwijgende modus zetten wanneer het regime schiet op zijn eigen burgers.
En dan de Verenigde Staten: president Trump praat grof — dreigt met "ze zullen betalen" en suggereert militaire opties en cyberactie — maar de realiteit op het terrein is dat concrete militaire steun voor demonstranten vooralsnog uitblijft, en zelfs in Washington serieuze vragen leven over de risico's van een militaire ingreep die het protest kan verstikken in een anti-Amerikaans offensief. Dat gedrag — luide retoriek zonder effectieve, beschermende middelen voor de bevolking die het raakt — ruikt naar hypocrisie: verbaal leiderschap gekoppeld aan terughoudendheid waar daadkracht nodig is. De beleidsrealiteit is dat politieke show niet gelijkstaat aan bescherming van mensenrechten.
Kortom: de media hebben een verantwoordelijkheid die verder gaat dan het doorgeven van persbureauberichten of het uitzenden van staatsgebakken parades. Het is een journalistieke plicht om de stemmen te laten klinken die het hardst worden onderdrukt — en om feiten die door onafhankelijke mensenrechtenorganisaties worden gerapporteerd, niet weg te drukken achter beelden van regimegeleide manifestaties. Als de NOS en andere kranten serieus willen blijven in hun missie om burgers te informeren, moeten ze verder kijken dan de staatscamera's, luider rekenen dan de propagandacijfers en het morele gewicht van schoten op eigen burgers eerlijk wegen. De Iraniërs die nu voor vrijheid op straat komen — en die daarvoor vaak met hun leven betalen — verdienen niets minder.