Jarenlang presenteerde Teheran zich als spil van een trotse anti-westerse coalitie, gesteund door grootmachten als Rusland en China. Maar nu het regime onder interne druk kraakt en internationale spanningen oplopen, blijkt die 'As van Verzet' vooral uit woorden te bestaan. Moskou kijkt weg, Beijing rekent door — en Iran blijft achter met lege stoelen, loze loyaliteiten en een geopolitieke realiteit die een stuk minder heroïsch is dan de slogans doen vermoeden.

Vandaag staat Iran er ongeveer zo bij als iemand die een verjaardagsfeest organiseert, luid aankondigt dat "iedereen komt", en vervolgens alleen met een lauwe colafles en een leeg chipsbakje achterblijft. De ayatollahs roepen nog steeds dat ze niet alleen staan, maar wie goed kijkt, ziet vooral lege stoelen.

Laten we beginnen met Rusland, jarenlang gepresenteerd als strategische bondgenoot. Moskou nam Iraanse drones gretig af voor de oorlog in Oekraïne — dank u wel, zeer nuttig — maar toen Iran zelf behoefte kreeg aan moderne luchtverdediging of politieke rugdekking, bleek Poetin ineens "even in gesprek".

Het partnerschap blijkt van het type: ik bel je wel als ik iets nodig heb. En zodra Iran vraagt: "Zou jij ook eens…?", verdwijnt de lijn. Rusland steunt Iran precies zolang het goedkoop is en geen risico's oplevert. Solidariteit stopt waar eigenbelang begint — wat in het Kremlin ongeveer bij de voordeur is.

En dan China. Beijing koopt Iraanse olie alsof het in de uitverkoop is, maar politieke steun? Liever niet, dank u. China houdt van stabiliteit, voorspelbaarheid en handelsroutes zonder gedoe. Een theocratisch regime dat intern brandt en extern ruzie zoekt, past niet lekker in dat Excel-bestand.

Dus blijft het bij vriendelijke diplomatieke zinnen, een handtekening onder vage verklaringen, en vooral: géén echte bescherming. China wil Iran wel als leverancier, niet als lastige huisgenoot.

Wat ooit een "as" moest voorstellen, blijkt achteraf vooral een dessert: zacht, wiebelig en volledig ingestort zodra je er een lepel in zet. Hezbollah is verzwakt, regionaal enthousiasme is verdwenen, en andere vermeende bondgenoten hebben het te druk met hun eigen problemen — of met onderhandelingen met precies dat Westen dat ze officieel verachten.

De grote anti-westerse coalitie blijkt vooral een verzameling losse eilandjes, verbonden door retoriek en weinig anders. Ideologie is leuk voor toespraken, maar waardeloos als het erop aankomt.

Ondertussen staat Iran zelf intern in brand. Protesten blijven terugkomen als een hardnekkige griep die maar niet overgaat. Het regime reageert zoals altijd: met repressie, arrestaties en de hoop dat iedereen vanzelf moe wordt. Maar dat gebeurt niet.

Wat wél gebeurt: het draagvlak brokkelt verder af. Zelfs mensen die ooit stil waren, beginnen zich af te vragen waarom ze offers moeten brengen voor een buitenlandse machtsdroom die nergens toe leidt — behalve tot sancties, inflatie en internationale isolatie.

En zo staat Iran nu waar het nooit dacht te eindigen: alleen. Niet officieel verlaten — dat zou te pijnlijk zijn — maar praktisch wel. Bondgenoten kijken weg, partners rekenen door, en niemand wil zijn vingers branden aan een regime dat steeds meer op drijfzand staat.

De ayatollahs hebben nog hun slogans, hun parades en hun lange toespraken. Maar wat ze niet meer hebben, is een geloofwaardige coalitie die hen overeind houdt als het echt spannend wordt.

Misschien is dat wel de harde les van dit moment: macht zonder echte vrienden is geen macht, maar decor. Veel vlaggen, weinig steun. Veel woorden, weinig daden.

De As van Verzet is geen as meer — hooguit een herinnering. En Iran? Dat staat alleen op het podium, terwijl het applaus al lang is verstomd.

En ergens, heel zachtjes, klinkt de echo van een vraag die het regime nooit hardop zal stellen: Was dit het nou allemaal waard?